Wie het rijke, witte, historische Haarlem via een van de zuidelijke Spaarnebruggen verlaat, fietst regelrecht mijn vroege jeugd binnen. Mijn peilloze respect voor het begrip ‘professor’ komt volgens mijn psychiater uit het Schalkwijk van 1966: ingeklemd tussen Professor Eijkman, professor Kouwer en de griezelige professor Donders, rolschaatste ik, zes jaar oud, over het fonkelende asfalt van mijn eigen Semmelweisstraat (lekker uitfpreken voor een zefjarige met fietfenftalling). Er liggen nu fraaie nepklinkers, gladder dan asfalt. Het katholieke kerkje staat er nog, waar je ongezien het wierook-duister in kon glippen. Mijn eigen protestantse nest, de “De Savornin Lohmanschool”, heeft plaatsgemaakt voor de Waddenschool, die een soort educatief bungalowpark op het terreintje aan de Flemingstraat heeft gebouwd.
Schalkwijk bestond bijna zestig jaar geleden goeddeels uit bouwlandjes; als het katholieke gebeier het niet deed, maakte het ritmische galmen van tientallen heipalen me wel wakker.

Nu wonen er ruim dertigduizend mensen in de meest uiteenlopende behuizingen. Natuurlijk lijken de ouderwetse galerijflats nog de baas, maar vanaf de fiets krijg je spectaculaire architectuur uit alle afgelopen decennia te zien. ‘Onze’ Boerhaavewijk, waar ik met mijn broer de straten afschuimde, is nog het minst veranderd. Maar als ik via de schitterende groene rand van het Spaarne de Belgiëlaan inrij, langs het terrein waar ik voetbalde tegen het gevreesde, in Ajax-kleuren spelende DCO en waar nu een lieflijke bloemetjespluktuin ligt, kijk ik in de Europawijk zowaar mijn ogen uit. Zowel mijn vader als mijn moeder woonden even in de Engelandlaan, door ons dus de Gescheiden Mensenlaan gedoopt, in die enorme galerijflats die van binnen best luxe en ruim bleken. Maar vlakbij, aan het IJslandpark/Italiëlaan bijvoorbeeld, tref je prachtige halfronde, zandkleurige woonblokken aan, omzoomd door platanen.

De lange Laan van Angers voert je plotseling langs een soort chaletbouw die in Noorwegen niet zou misstaan, en verderop, bij de grens van Molenwijk en Meerwijk staan op een soort terp de Twin Towers van Schalkwijk: twee enorme ronde woontorens met optisch scheve Escher-achtige balkons die lijken te ‘twirlen’. Ze zijn door hun ontwerpers, VMX Architects uit Amsterdam, dan ook de Twister en de Tango genoemd. Er zouden er zes gebouwd worden, maar dat had blijkbaar te veel voeten in de aarde, of er was te weinig aarde. Natuurlijk blijf ik, op een stralende novemberdag, hangen langs de Molenplas. Daar voelt de hoogbouw ver weg, en maakt een complete kolonie aalscholvers het zich gemakkelijk. Schalkwijkenaren met roots uit alle windstreken doorkruisen de paadjes met rollators, honden, skateboards en… kinderwagens.

Schalkwijk is beduidend jonger en diverser dan de rest van Haarlem. En zowel in de enorme groenprojecten als op het maatschappelijke vlak zou het wel eens de nieuwe hotspot kunnen worden, the place where it all happens. Er staat sinds kort een machtig bioscoopcomplex naast het aloude Winkelcentrum; een aanvankelijk bescheiden basketbalclubje als Triple Threat bijvoorbeeld, is hier uitgegroeid tot een jongerenbolwerk van 1700 leden, die alle mogelijke problemen proberen voor te zijn.

Ik draai weer richting het westen. En ja: hij is er nog steeds! Friet van Piet, waar ik kroketsgewijs eindig, staat daar sinds de geboorte van de Europawijk in 1958, onverstoorbaar. Het is bijna het Stadhuis van Schalkwijk. Van fonkelnieuwbouwwijk in ‘60 naar probleemwijk in ‘90, en nu hard richting Haarlem 3.0 in de 21ste eeuw: je hebt aan een week niet genoeg als je onze satellietstad wilt leren kennen op de fiets.